
Het is 1e pinksterdag. De zon schijnt en ik heb de dag vrij voor een lange wandeling.
Ik neem als doel één van mijn favoriete bomen hoog op de heuvel aan de rand van een groot heideveld. Wie weet heeft ie me iets te vertellen. Ik voel het als een opdracht om vaker met de bomen te gaan zitten, en dit lijkt mij een prima 1e stap.
Het is een heerlijke dag en ik verdwaal. Zo fijn dat dit nog steeds kan in ‘mijn eigen bos’. Niets leukers dan opgaan in het bos en de richting kwijtraken.
Uiteindelijk beland ik tot mijn verrassing toch bij de boom aan het heideveld, maar vanaf een heel andere kant.
Het is heerlijk toeven, zittend tegen de boom, met een flesje water, wat nootjes en abrikozen en een prachtig uitzicht met een zeldzame ‘ouderwetse’ wolkenlucht. De boom is stil en blijft stil, en ik leg me erbij neer dat dit niet het moment is voor een gesprek. Het is vooral samen genieten. In stilte.
Als ik tegen het eind van de middag weer richting huis wandel, besluit ik dat ik niet bij andere bomen zal gaan stoppen, ook niet bij ‘die hele bijzondere wijze’, waar ik zeker langs zal lopen.
Ik heb het geprobeerd vandaag, het is niet gelukt en nu wil ik naar huis.
Als ik in de buurt kom van ‘die hele bijzondere wijze’, zeg ik t nog een keer duidelijk, dat ik naar huis wil en dat ik niet meer ga stoppen.
In de verte van ‘die hele bijzondere wijze’ lijkt het net alsof er een gele vlek aan de voet van de boom zit. Naarmate ik dichterbij kom, wordt die vlek steeds groter, feller en geler. Het is alsof er met verf tegenaan gekwast is. Hoe kan dat nou? Het zal toch niet?
Ik zeg nog een keer nadrukkelijk dat het tijd voor mij is om naar huis te gaan, dat het mooi geweest is voor vandaag. Maar door die gele vlek, móét ik wel even naar de boom lopen om te zien wat er is gebeurd.
Als ik bij de boom sta, blijkt het een stuk vergeeld mos te zijn, wat afsteekt bij de rest van het groene mos. Geel? Nee, echt niet. Laat staan knalgeel! Gewoon, beetje lichtgroenig, gelig…
Gerustgesteld vertel ik de boom dat ik doorloop naar huis. Dat het mooi is geweest vandaag.
Maar het lukt me niet. Ik zie haar wijze gezicht in de stam en maak een foto. Ook daarna lukt het me niet om verder te lopen. Iets houdt me tegen, en ik heb geen andere keus dan aan de voet van de boom te gaan zitten.
Een korte stilte volgt.
“Zie je, hoe fijn het is even tegen me aan te zitten?
Goh, ik moet wel hard werken om je bij me te krijgen. Doen alsof ik gele verf over m’n wortel heb gekregen, Mijn moedergezicht tonen, zodat je wat foto’s van me maakt, en dat terwijl ik had gezegd, (oké, in jouw beleving, familie van mij had gezegd), dat je vaker naar ons mag luisteren, ook als het voor jou niet ‘nodig’ is.
Zucht.
Fijn hè, nu je eenmaal tegen mijn voet aangeleund zit?
Voel je die kracht die ik aan je geef? Weet dat je net zo krachtig bent als ik. Onze wortels gaan net zo diep.
Voel maar. “
Zonder mijn authentieke zelf te verliezen, voel ik mijn wortels langs de hare de grond in zakken. Ieder ons eigen wortels, verstrengeld met elkaar, maar niet gebonden.
Een oprechte uitwisseling, gelijkwaardig, ieder eigen.
Alles wat ik hoor schrijf ik in het schrift dat altijd bij me is.
Grappig. Vaak ben ik alert op voorbijgangers als ik me met een boom verbind. Nu is dat totaal niet meer van belang.
Het lijkt als of mijn lessenreeks begonnen is.
“Oké even nu niet meer schrijven. Luister.”
Ik voel het wonderlijk wortelspel. Bijzonder, zo ongebonden, maar zoveel samen. Alles samen. Niks en niemand doet het hier onder de grond alleen. Zo anders dat alle wortels hier zijn, ieder doet zijn eigen ding. Tegelijkertijd weet iedereen van de ander, ziet iedereen elkaar, en weet iedereen het kan niet anders dan samen, het ìs niet anders dan samen.
Ik voel me vereerd, dankbaar dat boom mij heeft uitgekozen om lessen bij haar te volgen. Ik geniet van de kracht en schoonheid van Beuk, van haar geduldige wijsheid.
Een voorbijgaande fietser niest en met stemgeluid schrik ik weer wakker in de alledaagse wereld. De fietser schrikt van mijn plotselinge aanwezigheid.
“Goed,” zegt boom in alle rust, “mag je nu naar huis 😉 .”
In verwondering loop ik even later richting huis.